KDe Kunst van
Pensioenbestuur
← Terug naar het boek

De Kunst van Pensioenbestuur

Index & begrippen

Wat vindt u
in het boek?

Bekijk de volledige inhoudsopgave met alle 74 hoofdstukken, zoek alfabetisch in het steekwoordenregister of lees de korte uitleg in de begrippenlijst.

De paginanummers verwijzen naar de gedrukte uitgave van De Kunst van Pensioenbestuur.

74 hoofdstukken

DEEL I — Het pensioenstelsel begrijpen

p. 5
  1. 1

    Hoe dit boek te gebruiken

    p. 6
  2. 2

    Waarom pensioen bestaat: van particuliere zorg naar drie pijlers

    p. 8
  3. 3

    Welke pensioenregeling bedoelen we? Van oude aanspraak tot Wtp-premieregeling

    p. 15
  4. 4

    Wie voert pensioen uit? BPF, OPF, beroepspensioenfonds, APF, verzekeraar en PPI

    p. 22
  5. 5

    BPF, OPF, beroepspensioenfonds, APF, verzekeraar en PPI: de verschillen in één oogopslag

    p. 29
  6. 6

    De uitvoeringsvorm bepaalt de bestuursopdracht

    p. 33
  7. 7

    Wie beslist over pensioen? Van arbeidsvoorwaarde tot toezicht

    p. 37
  8. 8

    Voor wie is pensioen? Deelnemer, gewezen deelnemer, partner en pensioengerechtigde

    p. 45
  9. 9

    Welk bedrag ziet de deelnemer? Aanspraak, vermogen, verwachting en uitkering

    p. 51
  10. 10

    Premie, rendement en pensioenvermogen: drie verschillende dingen

    p. 57
  11. 11

    Van wie is het pensioenvermogen: kan de werkgever of overheid erbij?

    p. 64

DEEL II — Goed pensioenbestuur

p. 70
  1. 12

    Het besluitdossier: van advies naar verantwoord besluit

    p. 71
  2. 13

    Tegenspraak organiseren: bestuur, VO, BO en intern toezicht

    p. 74
  3. 14

    Het lerende fondsorgaan: zelfevaluatie, deskundigheid en opvolging

    p. 78
  4. 15

    Bestuursmodellen: wie bestuurt, wie houdt toezicht en wie heeft inspraak?

    p. 81
  5. 16

    Voordracht, benoeming en tegenwicht: een zetel is geen mandaat

    p. 85
  6. 17

    Geschiktheid: kennis, vaardigheden en professioneel gedrag

    p. 88
  7. 18

    De pensioenfondsmanager: onmisbare spil, geen vervanger van het bestuur

    p. 91
  8. 19

    Rollen binnen bestuur, VO en BO: leiden zonder overnemen

    p. 94
  9. 20

    Integriteit en belangenconflicten: onafhankelijkheid moet zichtbaar werken

    p. 97
  10. 21

    Sleutelfuncties: drie onafhankelijke oordelen, één verantwoordelijk bestuur

    p. 103
  11. 22

    Toezicht en assurance: één pensioenuitvoerder, verschillende blikken

    p. 111
  12. 23

    Uitbesteding en operationele weerbaarheid: werk is overdraagbaar, verantwoordelijkheid niet

    p. 117
  13. 24

    Wie bepaalt de beloning van pensioenfondsbestuurders en uitvoerders?

    p. 122
  14. 25

    Kan ik invloed uitoefenen op mijn pensioenfonds: wie vertegenwoordigt mij?

    p. 129

DEEL III — Financiële sturing en collectieve risico’s

p. 135
  1. 26

    VEV en MVEV: twee buffers, twee heel verschillende boodschappen

    p. 136
  2. 27

    ALM: het model rekent, het bestuur kiest

    p. 142
  3. 28

    Beleggen is een bestuurlijke cyclus, geen rendementswedstrijd

    p. 148
  4. 29

    Renteafdekking: bescherming zonder schijnzekerheid

    p. 154
  5. 30

    Inflatie en koopkracht: ambitie is nog geen bescherming

    p. 160
  6. 31

    Valutarisico: wereldwijd beleggen, in euro’s uitkeren

    p. 166
  7. 32

    Liquiditeit: vermogen op papier, pensioen en onderpand in cash

    p. 170
  8. 33

    Kosten: een klein percentage werkt jarenlang door

    p. 177
  9. 34

    Risicohouding: van deelnemersvoorkeur naar beleggings- en toedelingsbeleid

    p. 184
  10. 35

    Rendementstoedeling en lifecycle voor deelnemers

    p. 190
  11. 36

    Solidariteitsreserve en risicodelingsreserve: delen met een vooraf bepaalde opdracht

    p. 204
  12. 37

    Uitkeringen in SPR en FPR: projectierendement, spreiding en contractverschillen

    p. 211
  13. 38

    Langlevenrisico: goed nieuws voor de mens, een verdeelvraag voor het pensioen

    p. 217
  14. 39

    Duurzaam beleggen: drie vragen, één aantoonbare afweging

    p. 223

DEEL IV — Regeling, dekking en deelnemersbediening

p. 229
  1. 40

    Datakwaliteit: van brongegeven tot pensioenuitkomst

    p. 230
  2. 41

    Deelnemerscommunicatie en keuzebegeleiding: van informatie naar passende actie

    p. 236
  3. 42

    Nabestaandenpensioen: dekking is een keten, geen vast bedrag

    p. 242
  4. 43

    Arbeidsongeschiktheid: premievrij is niet regelvrij

    p. 248
  5. 44

    Pensionering: een keuze is nooit maar één keuze

    p. 253
  6. 45

    Klachten en geschillen: individueel herstel, collectief leren

    p. 259

DEEL V — Gesloten fondsen, transitie en beëindiging

p. 264
  1. 46

    Gesloten pensioenfondsen: continuïteit, UVO en bijstortverplichtingen

    p. 265
  2. 47

    De horizon van een gesloten fonds: tijdig kiezen zonder te overhaasten

    p. 269
  3. 48

    Overdracht, buy-out en liquidatie: drie verschillende eindroutes

    p. 274
  4. 49

    Internationale sponsors en US GAAP: bestuurlijke onafhankelijkheid onder druk

    p. 277
  5. 50

    Niet invaren: geen verzoek is niet geen bestuursverantwoordelijkheid

    p. 283
  6. 51

    Mijn oude pensioen wordt ingevaren: wat verandert er werkelijk?

    p. 287
  7. 52

    Krijg ik compensatie bij de overgang naar de nieuwe pensioenregeling?

    p. 293
  8. 53

    Waarom kan mijn pensioen in het nieuwe stelsel omhoog én omlaag?

    p. 299
  9. 54

    Mijn pensioenfonds stopt: wie betaalt mijn pensioen dan?

    p. 304

DEEL VI — Pensioen door de levensloop

p. 309
  1. 55

    Van baan veranderen: pensioen laten staan, meenemen of automatisch overdragen

    p. 310
  2. 56

    Scheiden: ouderdomspensioen, verevening en bijzonder partnerpensioen

    p. 316
  3. 57

    Overlijden: wie krijgt welk pensioen en wanneer?

    p. 322
  4. 58

    Ziek worden: inkomen, WIA en pensioen lopen niet vanzelf gelijk

    p. 328
  5. 59

    Met pensioen gaan: drie datums en één huishoudinkomen

    p. 333
  6. 60

    Werkloos worden: inkomen stopt eerder dan ieder pensioenrecht

    p. 339
  7. 61

    Minder werken en verlof: dezelfde loonstrook kan een ander pensioen betekenen

    p. 345
  8. 62

    Samenwonen en trouwen: wanneer is iemand partner voor het pensioen?

    p. 350
  9. 63

    Een kind krijgen: wanneer bestaat wezenpensioen?

    p. 355
  10. 64

    Voor jezelf beginnen: waar ontstaat nog pensioen?

    p. 360
  11. 65

    Werken of wonen in het buitenland: welk pensioen blijft waar?

    p. 365
  12. 66

    Niet meer zelf kunnen beslissen: wie mag over het pensioen handelen?

    p. 371

DEEL VII — Werk, werkgever en pensioenopbouw

p. 377
  1. 67

    In dienst: bouw ik vanaf mijn eerste werkdag pensioen op?

    p. 378
  2. 68

    Werkgever betaalt niet: wat gebeurt er met mijn pensioen?

    p. 383
  3. 69

    Werkgever fuseert of wordt overgenomen: loopt mijn pensioen door?

    p. 389
  4. 70

    Doorwerken na AOW: wanneer stopt werk en wanneer begint pensioen?

    p. 394
  5. 71

    Tijdelijk werk, uitzendwerk en payroll: bij wie bouw ik pensioen op?

    p. 399
  6. 72

    Meerdere banen tegelijk: bouw ik dubbel, juist of onvolledig pensioen op?

    p. 404
  7. 73

    Bonus, toeslag en overwerk: welk loon telt mee voor mijn pensioen?

    p. 409
  8. 74

    Een klein pensioen: blijft het staan, gaat het automatisch mee of wordt het afgekocht?

    p. 414

A

Actieve deelnemer

p. 45

Iemand die op dit moment pensioen opbouwt in een pensioenregeling.

Actuariële grondslagen

p. 217

Aannames en rekenregels over onder meer rente, levensverwachting, kosten en kansen die worden gebruikt om pensioenverplichtingen en premies te waarderen.

Afkoop

p. 414

Een eenmalige betaling waardoor een pensioenaanspraak of pensioenrecht geheel of gedeeltelijk vervalt. Afkoop is alleen toegestaan in wettelijk omschreven situaties.

AFM (Autoriteit Financiële Markten)

p. 111

Toezichthouder die onder meer let op pensioencommunicatie, informatieverstrekking en keuzebegeleiding.

ALM (asset-liabilitymanagement)

p. 142

Analyse waarin bezittingen, pensioenverplichtingen en beleid in veel economische scenario's samen worden doorgerekend.

Anw (Algemene nabestaandenwet)

p. 325

Wettelijke nabestaandenuitkering van de overheid, beoordeeld en uitgevoerd door de SVB; staat los van partnerpensioen uit een pensioenregeling.

APF (algemeen pensioenfonds)

p. 22

Pensioenfonds dat meerdere afgescheiden collectiviteitkringen binnen één juridische organisatie kan uitvoeren.

AOW

p. 8

Wettelijk basispensioen van de overheid; de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel.

Arbeidsongeschiktheidspensioen

p. 248

Aanvullend inkomen uit een pensioenregeling bij arbeidsongeschiktheid, voor zover de regeling daarin voorziet.

Attestatie de vita

p. 233

Verklaring die bevestigt dat een pensioengerechtigde in leven is, vaak gevraagd bij verblijf in het buitenland om de pensioenbetaling voort te zetten.

Automatische waardeoverdracht

p. 414

Overdracht van een klein pensioen naar de huidige uitvoerder zonder aanvraag van de gewezen deelnemer.

B

Bedrijfstakpensioenfonds (BPF)

p. 22

Pensioenfonds voor werkgevers en werknemers binnen een bedrijfstak. Deelname kan wettelijk verplicht zijn gesteld.

Beleidsdekkingsgraad

p. 136

Het gemiddelde van de actuele dekkingsgraden van een pensioenfonds over de laatste twaalf maanden.

Beleggingsbeleid

p. 148

Afspraken over doel, risico, spreiding, uitvoering en bewaking van beleggingen.

Beleggingsmix

p. 148

Verdeling van vermogen over categorieën als aandelen, obligaties en vastgoed.

Beleggingsportefeuille

p. 148

Alle beleggingen waarin het pensioenfondsvermogen is ondergebracht.

Belanghebbendenorgaan (BO)

p. 74

Fondsorgaan dat deelnemers, pensioengerechtigden en werkgevers vertegenwoordigt, met wettelijke advies- en goedkeuringsrechten.

Benchmark

p. 148

Vergelijkingsmaatstaf voor rendement, risico en kosten van een beleggingsportefeuille.

Beroepspensioenfonds

p. 22

Pensioenfonds voor beoefenaren van een bepaald beroep, waaraan deelname op grond van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling verplicht kan zijn.

Beschermingsrendement

p. 190

Rendement dat in de solidaire premieregeling wordt toegedeeld om deelnemers gericht te beschermen tegen bijvoorbeeld renterisico.

Bestuursmodel

p. 81

Formele inrichting van bestuur, intern toezicht en vertegenwoordiging binnen een pensioenfonds, met bijbehorende rollen en bevoegdheden.

Bijzonder partnerpensioen

p. 316

Partnerpensioen dat na een scheiding voor de ex-partner kan blijven bestaan volgens wet en pensioenregeling.

Bijstortverplichting

p. 265

Contractuele verplichting van een werkgever of sponsor om onder afgesproken omstandigheden extra geld aan een pensioenfonds te betalen.

BRP (Basisregistratie Personen)

p. 322

Overheidsregistratie met onder meer adres-, relatie- en overlijdensgegevens die pensioenuitvoerders in hun administratie gebruiken.

Buy-out

p. 274

Overdracht waarbij pensioenverplichtingen tegen betaling worden ondergebracht bij een verzekeraar, die daarna de pensioenen uitvoert en uitkeert.

C

Cao (collectieve arbeidsovereenkomst)

p. 37

Overeenkomst tussen werkgevers en werknemersorganisaties over arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioenafspraken kunnen vallen.

CDC (Collective Defined Contribution)

p. 15

Collectieve regeling met begrensde premie en voorwaardelijke opbouw.

Collectieve waardeoverdracht

p. 274

Overdracht van pensioenwaarden voor een groep deelnemers of rechten naar een andere regeling of uitvoerder.

Collectiviteit

p. 8

Het gezamenlijk organiseren en soms delen van kosten en risico's binnen een pensioenregeling.

Compensatie

p. 293

Maatregel om transitienadeel voor een groep te beperken.

Compliancefunctie

p. 97

Functie die naleving van wetgeving en interne normen ondersteunt en beoordeelt.

CPI (consumentenprijsindex)

p. 160

Index die de gemiddelde prijsontwikkeling voor consumenten meet en als inflatiemaatstaf wordt gebruikt.

Custodian

p. 170

Bewaarder die beleggingen administreert en transacties en ketencontroles ondersteunt.

D

Datakwaliteit

p. 230

De mate waarin gegevens juist, volledig, actueel, herleidbaar en bruikbaar zijn voor de pensioenuitvoering.

DB (Defined Benefit)

p. 15

Pensioenregeling waarin de pensioenuitkomst volgens een formule is toegezegd, bijvoorbeeld op basis van salaris en diensttijd; de benodigde premie kan daardoor variëren.

Deelnemer

p. 45

Werknemer of beroepsgenoot die volgens de pensioenregeling pensioen opbouwt.

Deeltijdpensioen

p. 253

Gedeeltelijk ouderdomspensioen opnemen en voor het overige deel blijven werken.

Dekkingsgraad

p. 136

Verhouding tussen het vermogen van een pensioenfonds en de waarde van zijn pensioenverplichtingen.

Derde pijler

p. 8

Individuele pensioenvoorzieningen met een fiscale regeling, zoals bepaalde lijfrenten en pensioenproducten.

Derivaat

p. 154

Financieel contract waarvan de waarde samenhangt met bijvoorbeeld rente, valuta, aandelen of grondstoffen. Pensioenfondsen gebruiken derivaten onder meer voor risicobeheersing.

DNB (De Nederlandsche Bank)

p. 111

Prudentieel toezichthouder op onder meer de financiële soliditeit, governance en beheerste bedrijfsvoering van pensioenfondsen.

Doorsneesystematiek

p. 293

Oude systematiek met voor alle deelnemers hetzelfde premiepercentage, terwijl de economische waarde van de pensioenopbouw per leeftijd verschilde.

DORA

p. 117

Europese regels voor beheersing van digitale operationele en ICT-risico's.

Duurzaam beleggen

p. 223

Beleggen waarbij milieu-, sociale en governancefactoren worden meegewogen.

E

Eerste pijler

p. 8

Publieke basisvoorziening voor de oude dag, in Nederland in hoofdzaak de AOW.

Eigen vermogen

p. 136

Het verschil tussen bezittingen en verplichtingen. Bij een pensioenfonds vormt dit, binnen het toepasselijke kader, een financiële buffer.

Eindloonregeling

p. 15

Uitkeringsovereenkomst waarin het pensioen is gebaseerd op het laatstverdiende pensioengevend loon en de diensttijd.

Evenwichtige belangenafweging

p. 71

Bestuurlijke plicht om de relevante belangen herkenbaar, zorgvuldig en zonder onevenredige benadeling af te wegen.

Ex-partner

p. 316

Voormalige partner die afhankelijk van wet, scheidingsafspraken en pensioenregeling rechten kan hebben op verevend ouderdomspensioen of bijzonder partnerpensioen.

F

Factor A

p. 360

Pensioenaangroei op het UPO, gebruikt bij de berekening van fiscale lijfrenteruimte.

Fiduciair beheerder

p. 148

Partij die een pensioenfonds ondersteunt bij samenhangende aansturing van het vermogensbeheer, risicobeheer, selectie en monitoring van beheerders.

Flexibele premieregeling (FPR)

p. 15

Wtp-premieregeling met persoonlijk pensioenvermogen, doorgaans belegd via lifecycles, met keuzes en eventueel een risicodelingsreserve.

Franchise

p. 409

Deel van het pensioengevend loon waarover geen aanvullend ouderdomspensioen wordt opgebouwd, mede omdat de AOW als basisvoorziening bestaat.

FTK (financieel toetsingskader)

p. 136

Financieel toezichtskader voor pensioenfondsen met regels over waardering, dekkingsgraad, buffers, herstel en toeslagverlening.

Functiescheiding

p. 71

Verdeling van uitvoeren, controleren, adviseren en besluiten over verschillende personen of onderdelen om fouten en belangenconflicten te beperken.

G

Gemaximeerd pensioensalaris

p. 409

Pensioengevend salaris tot aan de fiscale of lagere reglementaire bovengrens; over het meerdere wordt binnen de reguliere regeling geen pensioen opgebouwd.

Gesloten pensioenfonds

p. 265

Contextafhankelijke aanduiding. Soms is alleen toetreding gesloten en kan de opbouw voor bestaande actieve deelnemers, met reguliere premie, doorgaan. Bij een volledig gesloten regeling stopt ook de reguliere verdere opbouw. In beide varianten beheert het fonds bestaande aanspraken, rechten en uitkeringen; bijzondere betalingen uit eerdere perioden of afspraken kunnen blijven voorkomen.

Geschiktheid

p. 88

Combinatie van kennis, vaardigheden en professioneel gedrag die nodig is om een pensioenfunctie verantwoord te vervullen.

Gewezen deelnemer

p. 45

Iemand die niet meer actief deelneemt aan een regeling, maar daar nog wel een pensioenaanspraak heeft.

Governance

p. 37

Het geheel van bestuur, toezicht, inspraak, verantwoording, bevoegdheden en onderlinge tegenmacht binnen een organisatie.

Grenskapitaal

p. 414

Kapitaalbedrag dat bij een premie- of kapitaalregeling wordt gebruikt om te beoordelen of de waarde overeenkomt met de wettelijke grens voor een klein pensioen.

H

Haalbaarheidstoets

p. 142

Langetermijnanalyse binnen het FTK die inzicht geeft in onder meer het verwachte pensioenresultaat en de risico's daaromheen.

Hedging

p. 166

Engelse term voor afdekking van financieel risico, vaak met derivaten.

Herstelplan

p. 136

Plan waarin een pensioenfonds beschrijft hoe de financiële positie binnen de geldende termijn herstelt wanneer wettelijke grenzen zijn onderschreden.

Herverzekering

p. 274

Overeenkomst waarbij een pensioenfonds bepaalde financiële of biometrische risico's geheel of gedeeltelijk bij een verzekeraar onderbrengt.

Hoog-laagconstructie

p. 253

Keuze waarbij eerst tijdelijk een hoger pensioen en daarna levenslang een lager pensioen volgt; er ontstaat geen extra pensioen. Ook hoog/laagconstructie genoemd.

I

Indexatie

p. 160

Zie toeslagverlening.

Inflatie

p. 160

Algemene stijging van prijzen, waardoor met een gelijk nominaal pensioen minder kan worden gekocht.

Intern toezicht

p. 74

Onafhankelijke beoordeling van beleid, besturing, risicobeheersing en algemene gang van zaken binnen het pensioenfonds.

Invaliditeitsrisico

p. 248

Ook arbeidsongeschiktheidsrisico genoemd: het risico dat arbeidsongeschiktheid volgens de regeling leidt tot een uitkering en/of premievrije pensioenopbouw.

Invaren

p. 287

Interne collectieve waardeoverdracht waarbij bestaande pensioenaanspraken en -rechten van een pensioenfonds worden omgezet naar de nieuwe pensioenregeling.

K

Kapitaalovereenkomst

p. 15

Pensioenovereenkomst waarin een bepaald kapitaal op de pensioendatum centraal staat en daarna wordt gebruikt voor een pensioenuitkering.

Keuzebegeleiding

p. 236

Ondersteuning die deelnemers helpt de mogelijkheden binnen hun pensioenregeling te begrijpen en een passende keuze te maken.

Klein pensioen

p. 414

Pensioen onder de jaarlijks vastgestelde wettelijke grens waarvoor bijzondere regels gelden, onder meer voor automatische waardeoverdracht en afkoop.

Klacht

p. 259

Uiting van ontevredenheid over pensioenuitvoering, informatie, behandeling of uitkomst die volgens een herkenbare procedure moet worden onderzocht en afgehandeld.

Koopkracht

p. 160

Hoeveel goederen en diensten met een pensioeninkomen kunnen worden gekocht. Koopkracht hangt af van zowel de pensioenontwikkeling als de inflatie.

Kortlevenrisico

p. 217

Risico dat iemand eerder overlijdt dan verwacht. Daardoor wordt ouderdomspensioen korter uitgekeerd, terwijl verzekerd partner- of wezenpensioen eerder kan ingaan.

Kring

p. 22

Afgescheiden collectiviteit binnen een algemeen pensioenfonds met een eigen vermogen en eigen pensioenregeling of regelingen.

L

Langlevenrisico

p. 217

Risico dat mensen gemiddeld langer leven dan verwacht, waardoor pensioenen langer moeten worden uitgekeerd.

Lifecycle

p. 184

Beleggingspad waarbij risico en beleggingsmix veranderen naarmate de deelnemer ouder wordt of dichter bij pensionering komt.

Liquidatie

p. 274

Juridische beëindiging en vereffening van een pensioenfonds nadat verplichtingen, bezittingen en resterende taken zijn overgedragen of afgewikkeld.

Liquiditeit

p. 170

Beschikbaarheid van geld en snel inzetbare beleggingen om uitkeringen, onderpand en andere betalingen tijdig te voldoen.

Loonheffing

p. 333

Belasting en premies die de pensioenuitvoerder op een pensioenuitkering of afkoopsom inhoudt en afdraagt.

M

Middelloonregeling

p. 15

Uitkeringsovereenkomst waarin de pensioenopbouw is gebaseerd op het pensioengevend loon gedurende de deelnemingsjaren.

MVEV (minimaal vereist eigen vermogen)

p. 136

Wettelijke ondergrens voor het eigen vermogen van een pensioenfonds binnen het FTK.

N

Nabestaandenpensioen

p. 242

Verzamelnaam voor pensioen voor partner en kinderen na overlijden van de deelnemer of pensioengerechtigde.

Nieuw Financieel Toetsingskader (nFTK)

p. 136

FTK dat in 2015 in werking trad en onder meer de beleidsdekkingsgraad en aangepaste herstel- en toeslagregels invoerde. Tegenwoordig wordt meestal kortweg van het FTK gesproken.

Niet-invaren

p. 283

Situatie waarin bestaande pensioenaanspraken en -rechten niet worden omgezet naar de nieuwe Wtp-regeling en onder het oude kader blijven uitgevoerd.

Nominaal pensioen

p. 160

Pensioen uitgedrukt in euro's zonder correctie voor de ontwikkeling van prijzen en koopkracht.

O

Obligatie

p. 154

Verhandelbaar schuldbewijs met rente en terugbetaling van de hoofdsom op een afgesproken datum. De waarde kan veranderen door rente-, krediet-, inflatie- en liquiditeitsrisico.

Onderdekking

p. 136

Situatie waarin de financiële positie van een pensioenfonds onder een relevante wettelijke dekkings- of vermogensgrens ligt.

Ondernemingspensioenfonds (OPF)

p. 22

Pensioenfonds dat is verbonden aan één onderneming of een groep van ondernemingen.

Opbouwkorting

p. 57

Maatregel waarbij de pensioenopbouw over een periode lager wordt vastgesteld dan volgens de regeling is beoogd, bijvoorbeeld omdat de afgesproken premie ontoereikend is. Dit raakt de nieuwe opbouw en niet de al opgebouwde aanspraken.

Opbouwpercentage

p. 57

Percentage van de pensioengrondslag waarmee in een uitkeringsovereenkomst jaarlijks ouderdomspensioen wordt opgebouwd.

Opdrachtaanvaarding

p. 33

Beoordeling en formele aanvaarding door een pensioenfonds van de opdracht om een pensioenregeling uit te voeren.

Ouderdomspensioen

p. 253

Pensioeninkomen dat vanaf de afgesproken pensioendatum wordt uitgekeerd zolang de pensioengerechtigde leeft.

Overdrachtswaarde

p. 310

Actuariële waarde die bij waardeoverdracht van de ene pensioenuitvoerder naar de andere wordt overgebracht.

Overrendement

p. 190

Rendement dat in de solidaire premieregeling resteert nadat onder meer het beschermingsrendement is bepaald en dat volgens vooraf vastgelegde regels wordt toegedeeld.

P

Partnerpensioen

p. 242

Pensioenuitkering voor de partner na overlijden, volgens de partnerdefinitie en dekkingsvoorwaarden van wet en regeling.

Pensioenaanspraak

p. 51

Nog niet ingegaan recht op een toekomstige pensioenuitkering.

Pensioenakkoord

p. 8

Afspraken uit 2019 tussen kabinet en sociale partners die de basis vormden voor de hervorming van het pensioenstelsel.

Pensioenfonds

p. 22

Stichting die één of meer pensioenregelingen uitvoert en het pensioenvermogen afgescheiden beheert voor de belanghebbenden.

Pensioenfondsmanager

p. 91

Professionele spil die bestuur en fondsorganen ondersteunt bij voorbereiding, uitvoering, samenhang en opvolging, zonder de bestuurlijke verantwoordelijkheid over te nemen.

Pensioengevend loon

p. 409

De loonbestanddelen die volgens pensioenovereenkomst, regeling en fiscale grenzen meetellen voor de pensioenopbouw.

Pensioengerechtigde

p. 45

Iemand voor wie een pensioenuitkering is ingegaan.

Pensioengrondslag

p. 409

Deel van het pensioengevend loon waarover pensioen wordt opgebouwd, meestal na aftrek van de franchise en toepassing van grenzen.

Pensioenovereenkomst

p. 37

Arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen werkgever en werknemer over pensioen.

Pensioenrecht

p. 51

Ingegane aanspraak op een pensioenuitkering.

Pensioenregister

p. 51

Landelijke voorziening waarin mensen een overzicht kunnen zien van hun AOW en pensioenen bij verschillende uitvoerders.

Pensioenreglement

p. 15

Document waarin de pensioenuitvoerder de rechten, plichten en uitvoeringsregels voor deelnemers en andere belanghebbenden vastlegt.

Pensioenuitvoerder

p. 22

Pensioenfonds, verzekeraar of premiepensioeninstelling die een pensioenregeling uitvoert.

Pensioenuitvoeringsorganisatie (PUO)

p. 117

Dienstverlener die administratieve en andere uitvoeringstaken voor een pensioenfonds verricht zonder de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid over te nemen.

Performance

p. 148

Beleggingsresultaat over een periode, absoluut of tegenover een benchmark. Een goede beoordeling betrekt ook kosten, risico en beleggingsdoel.

PPI (premiepensioeninstelling)

p. 22

Uitvoerder van premieregelingen die zelf geen verzekeringsrisico zoals langleven of overlijden mag dragen.

Premie

p. 57

Bedrag dat voor pensioenopbouw en risicodekking aan de pensioenuitvoerder wordt betaald.

Premiedekkingsgraad

p. 136

Maatstaf die vergelijkt hoeveel premie binnenkomt met de waarde van de pensioenopbouw en bijbehorende kosten en risico's.

Premieovereenkomst

p. 15

Pensioenovereenkomst waarin de beschikbare premie centraal staat en de uiteindelijke pensioenuitkomst mede afhangt van rendement, risico, kosten en uitkeringskeuzes.

Premie-uitkeringsovereenkomst

p. 15

Premieregeling bij een verzekeraar of PPI waarin in de laatste vijftien jaar vóór de AOW-leeftijd geleidelijk een vastgestelde pensioenuitkering kan worden ingekocht.

Premievrije aanspraken

p. 51

Opgebouwde pensioenaanspraken waarvoor geen premie meer wordt betaald, bijvoorbeeld na uitdiensttreding. Zij blijven bestaan tot overdracht, toegestane afkoop of uitkering.

Premievrije voortzetting

p. 248

Voortzetting van pensioenopbouw zonder normale premiebetaling door de deelnemer, meestal bij arbeidsongeschiktheid en onder voorwaarden van de regeling.

Private equity

p. 148

Beleggingen in niet-beursgenoteerde ondernemingen, meestal via fondsen. Ze kunnen rendement en spreiding bieden, maar kennen vaak hoge kosten, beperkte verhandelbaarheid en minder frequente waarderingen.

Projectierendement

p. 211

Rekenmaatstaf die wordt gebruikt om persoonlijk pensioenvermogen om te zetten in een variabele uitkering en de ontwikkeling daarvan te bepalen; het is geen gegarandeerd rendement.

R

Reële dekkingsgraad

p. 160

Dekkingsgraad die ook prijsontwikkeling of toeslagambitie meeweegt; afhankelijk van aannames en niet gelijk aan de wettelijke dekkingsgraad.

Reëel pensioen

p. 160

Pensioen bezien na correctie voor prijsontwikkeling en daarmee voor koopkracht.

Rekenrente

p. 154

Rente waarmee toekomstige pensioenuitkeringen naar een waarde van vandaag worden omgerekend. Onder het FTK volgt deze per looptijd uit de voorgeschreven rentetermijnstructuur; de rekenrente is geen verwacht of gegarandeerd beleggingsrendement.

Renteafdekking

p. 154

Beleid dat de gevoeligheid voor renteveranderingen beperkt.

Rentederivaten

p. 154

Financiële contracten waarvan de waarde samenhangt met de rente, zoals renteswaps. Ze kunnen renterisico beperken, maar brengen ook tegenpartij-, onderpand-, liquiditeits- en uitvoeringsrisico mee.

Rentetermijnstructuur (RTS)

p. 154

Reeks rentetarieven voor verschillende looptijden waarmee toekomstige pensioenuitkeringen contant worden gemaakt en verplichtingen worden gewaardeerd.

Returnportefeuille

p. 148

Deel van de beleggingen dat binnen de risicohouding vooral extra rendement moet behalen, naast beleggingen die verplichtingen of specifieke risico's afdekken.

Risicodelingsreserve

p. 204

Collectieve reserve die binnen bepaalde flexibele premieregelingen risico's volgens vooraf vastgelegde regels kan delen.

Risicohouding

p. 184

Door het pensioenfonds vastgelegde grenzen en uitgangspunten voor hoeveel risico passend en aanvaardbaar is voor de deelnemersgroepen.

Risicopreferentieonderzoek

p. 184

Onderzoek naar de risicovoorkeuren en het risicodraagvlak van deelnemers, pensioengerechtigden en gewezen deelnemers als input voor de risicohouding.

S

Scheiden

p. 316

Zie verevening.

Sleutelfunctie

p. 103

Onafhankelijke functie voor risicobeheer, actuariële beoordeling of interne audit met een eigen wettelijke opdracht en rapportagelijn.

Sociale partners

p. 37

Werkgevers- en werknemersorganisaties die arbeidsvoorwaardelijke pensioenafspraken maken.

Solidaire premieregeling (SPR)

p. 15

Wtp-premieregeling met collectieve belegging, gerichte toedeling van rendementen en risico's en een verplichte solidariteitsreserve.

Solidariteitsreserve

p. 204

Collectieve reserve binnen de solidaire premieregeling waarmee risico's en financiële mee- of tegenvallers volgens vooraf vastgelegde regels worden gedeeld.

Solvabiliteit

p. 136

Mate waarin de bezittingen en financiële buffers voldoende zijn om verplichtingen en risico's op langere termijn te dragen.

Sponsor

p. 277

Werkgever of groep die historisch of contractueel bij een ondernemingspensioenfonds of pensioenregeling betrokken is.

Staatsobligatie

p. 154

Schuldbewijs uitgegeven door een overheid, doorgaans met rentevergoeding en terugbetaling op een afgesproken datum. De marktwaarde kan veranderen door onder meer rente-, inflatie- en kredietrisico; een staatsobligatie is niet automatisch risicovrij.

Sterfteresultaat

p. 217

Financieel resultaat dat ontstaat doordat werkelijke sterfte afwijkt van de veronderstellingen en doordat vermogen bij overlijden volgens de regeling wordt verwerkt.

Sterftetafels

p. 217

Tabellen met geschatte sterftekansen per leeftijd, gebruikt om levensverwachting, pensioenverplichtingen en premies te berekenen.

T

Technische voorzieningen

p. 136

Actuariële waarde van de pensioenverplichtingen die een pensioenfonds op de balans opneemt.

Toedelingsregels

p. 190

Vooraf vastgelegde regels waarmee rendementen, bescherming, risico's of reserve-uitkomsten aan deelnemersgroepen worden toegerekend.

Toeslagverlening

p. 160

Verhoging van pensioenaanspraken en -rechten met als doel de ontwikkeling van lonen of prijzen geheel of gedeeltelijk te volgen. Een toeslag is niet altijd gegarandeerd.

Transitie-FTK

p. 283

Tijdelijk financieel kader voor pensioenfondsen tijdens de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, voor zover zij aan de voorwaarden voldoen.

Transitieplan

p. 287

Document van sociale partners of werkgever waarin de gekozen nieuwe regeling, effecten, compensatie en omgang met bestaande pensioenen worden onderbouwd.

Tweede pijler

p. 8

Aanvullend pensioen dat via werk of beroep collectief wordt georganiseerd.

U

Uitbesteding

p. 117

Extern laten uitvoeren van werk; de opdrachtgever blijft verantwoordelijk.

Uitkeringsovereenkomst

p. 15

Regeling waarin een pensioenuitkering wordt toegezegd.

Uitruilen

p. 253

Het ene type pensioen omzetten in een ander volgens de regeling.

Uitvoeringsovereenkomst

p. 265

Overeenkomst tussen werkgever en pensioenuitvoerder over de uitvoering en financiering van de pensioenregeling.

UPO (uniform pensioenoverzicht)

p. 236

Periodiek overzicht met gestandaardiseerde informatie over opgebouwd en te verwachten pensioen en nabestaandendekking.

US GAAP

p. 277

Amerikaanse verslaggevingsregels die bij internationale sponsors de verwerking van pensioenverplichtingen in de jaarrekening bepalen. Het sponsorbelang kan bestuurlijke druk geven, maar verandert de zelfstandige belangenafweging van het pensioenfonds niet.

V

Valutarisico

p. 166

Risico dat wisselkoersen de eurowaarde van buitenlandse beleggingen, kasstromen of verplichtingen veranderen.

Vastgestelde uitkering

p. 211

Pensioenuitkering waarvan de hoogte volgens de contractvoorwaarden is vastgesteld en niet rechtstreeks meebeweegt met jaarlijks beleggingsresultaat.

Vastrentende waarden

p. 154

Beleggingen met vaste of voorspelbare rente- en aflossingsbetalingen, zoals staats- en bedrijfsobligaties.

Variabele uitkering

p. 211

Pensioenuitkering waarvan de hoogte na pensionering kan veranderen door rendement, rente, levensverwachting en de gekozen spreidings- of toedelingsmethode.

VEV (vereist eigen vermogen)

p. 136

Wettelijk berekende buffer die een pensioenfonds binnen het FTK nodig heeft gezien de risico's die het loopt.

Verevening

p. 316

Verdeling van tijdens huwelijk of partnerschap opgebouwd ouderdomspensioen bij scheiding.

VO (verantwoordingsorgaan)

p. 74

Fondsorgaan dat het bestuur achteraf beoordeelt en daarnaast wettelijke adviesrechten heeft.

Verplichtstelling

p. 8

Wettelijk besluit dat deelname aan een bedrijfs- of beroepspensioenregeling verplicht.

Verzekeraar

p. 22

Vergunninghoudende financiële onderneming die pensioenverzekeringen uitvoert en verzekeringsrisico's kan dragen binnen contract en toezichtskader.

Vermogensbeheer

p. 148

Beleggen en beheren van pensioenvermogen binnen het vastgestelde mandaat, inclusief uitvoering, risicobeheersing en rapportage.

Visitatiecommissie

p. 74

Commissie die het interne toezicht bij een pensioenfonds uitoefent.

Volatiliteit

p. 184

Mate waarin de waarde of het rendement van een belegging of portefeuille schommelt.

W

Waardeoverdracht

p. 310

Overbrengen van de waarde van pensioenaanspraken naar een andere pensioenuitvoerder, individueel of collectief.

Wezenpensioen

p. 355

Pensioenuitkering voor een kind na overlijden van een ouder die volgens de regeling verzekerd of pensioengerechtigd was.

Witte vlek

p. 8

Werknemer die geen aanvullend pensioen via de werkgever opbouwt terwijl hij of zij wel werkt.

Wtp (Wet toekomst pensioenen)

p. 15

Wet die voor nieuwe opbouw alleen premieregelingen toestaat.

Z

Zelfevaluatie

p. 78

Periodieke beoordeling van het eigen functioneren en noodzakelijke verbeteringen.

Zorgplicht

p. 236

Plicht om deelnemers zorgvuldig en passend te informeren, begeleiden en bedienen.

Home